Diagnose

De gemiddelde leeftijd waarop de symptomen beginnen is tussen de 20 en 40 jaar.
Vaak is het zo dat er al symptomen ontstaan 3 jaar voorafgaand aan de diagnose.
De volgende onderzoeken zijn mogelijk:

  • Een longfoto. In het vroege stadium van de ziekte is deze niet afwijkend. Later kunnen de cystes
    zichtbaar zijn.
    Ook een klaplong en vocht in de borstholte zijn zichtbaar op een longfoto.
  • Een HRCT-scan van de longen. Deze geeft vaak een zo duidelijk beeld dat de diagnose op grond
    daarvan kan worden gesteld. Vaak wordt gelijktijdig een scan van de nier gemaakt om te zien of
    hier een zwelling (angiomyolipoom) aanwezig is.
  • Broncho-alveolaire Lavage (BAL). De long wordt hierbij 'gespoeld' met een zoutwater oplossing.
    De cellen die daarbij uit de long vrijkomen, worden onderzocht onder de microscoop. Deze uitslag
    kan helpen om de diagnose meer of minder waarschijnlijk te maken.
  • Een longfunctieonderzoek. Hierbij worden drie dingen gemeten: de hoeveelheid lucht in de longen,
    de snelheid van in- en uitademen en hoe goed de longen in staat zijn zuurstof aan het bloed door te
    geven. Dit bij elkaar geeft aan in hoeverre de longfunctie is verminderd door de ziekte.
  • Een inspanningstest (VO2-max): geeft een beeld van de gevolgen van de ziekte voor het inspannings-
    vermogen.
  • VATS (Video Assisted Thoracal Surgery). Dit is een kijkoperatie in de borstholte waarbij een stukje
    longweefsel wordt weggehaald voor onderzoek. Dit wordt gedaan als bovenstaande onderzoeken geen
    duidelijke diagnose geven.

Meer informatie over deze onderzoeken kunt u vinden op de website www.longcentrum.nl onder het
hoofdstuk onderzoeksmethoden